Caractéristiques
État
Utilisé
Année (orig.)
1997
Auteur
zie beschrijving
Description
||boek: De grote Prisma Nederlands|André Abeling|PRISMA Woordenboek
||door: Prisma
||taal: nl
||jaar: 1997
||druk: 6e druk, herziene
||pag.: 835p
||opm.: pocket|gelezen
||isbn: 90-274-6169-4
||code: 1:002106
--- Over het boek (foto 1): De grote Prisma Nederlands ---
Signalementen: Grote Prisma Nederlands
Van De grote Prisma Nederlands van André Abeling is in 2009 de twaalfde, herziene druk verschenen. Het woordenboek bestaat al sinds 1989 (toen onder de titel Prisma Handwoordenboek Nederlands). In 1992 verscheen de vierde druk onder de titel Spectrum Woordenboek Nederlands. Vanaf 1997 (zesde druk) heet het woordenboek De grote Prisma Nederlands. Het mag niet verward worden met het in Neerlandia/Nederlands van Nu (2010, nr. 2, pp. 44-45) besproken Prisma Handwoordenboek Nederlands, het eerste verklarende woordenboek van het Nederlands waarin niet alleen Belgisch-Nederlands, maar ook Nederlands-Nederlands gemarkeerd wordt. Dit woordenboek is nog steeds een heel traditioneel vanuit Nederlands standpunt geschreven woordenboek, waarin hier en daar wat Belgisch-Nederlands opgenomen is. Een pluspunt is dat het woordenboek veel informatie biedt over woorden in zinsverband en woordcombinaties. (PD)
André Abeling, De grote Prisma Nederlands, Het Spectrum, Utrecht, 2009, 902 pp., ISBN 978 90 491 0313 2. Prijs: euro 14,99.
Peter Debrabandere [bron: https--www.dbnl.org/tekst/_nee003201001_01/_nee003201001_01_0095.php]
Het Groene woordenboek is een Nederlands woordenboek.
Het is een herziene en uitgebreide editie van 'De grote Prisma Nederlands' van André Abeling uit 1997 en uitgegeven door Sdu Uitgevers in 2002.
Volgens de uitgever is de spelling (als enige woordenboek) in overeenstemming met die van de 'Woordenlijst Nederlandse taal' uit 1995, beter bekend als het Groene Boekje. Desondanks wijkt het Groene woordenboek soms wel degelijk af van het Groene Boekje:
Groene woordenboek Groene Boekje
dienst doen (aaneen!) dienstdoen
kamer (aaneengeschreven met onder meer: commissie, debat, fractie) Kamer (aaneengeschreven met onder meer: dezelfde woorden en gebouw)
portiek, de (zij) of het portiek, de (v.)
snoep, de (hij) of het snoep, de (m.)
[bron: wikipedia]
Woordenboekcriminaliteit
[Het onderstaande is een bijgewerkte samenvatting van een viertal artikelen eerder verschenen in De Woordenaar, de halfjaarlijkse Nieuwsbrief van het Matthias de Vries-Genootschap, nos. 1/1 (mei 1997) p. 2-4; 1/2 (oktober 1997) p. 1-6; 2/1 (mei 1998) p. 1-6; 2/2 (oktober 1998) p. 1-5]
1. Het begrip woordenboekcriminaliteit
2. Datering en editienummering
2.1 Nieuwheid als verkoopfactor
2.2 Het omgaan met jaartallen
2.2.1 Creatief gebruik van jaartallen
2.3 Editienummering: drukken en oplagen
2.3.1 Flagrante misleiding via druknummers gepaard met andere valse informatie
2.4 Enkele kanttekeningen
2.4.1 Jaartallen in literatuurlijsten
2.4.2 Author power
2.4.3 Informatie over wel of niet herziene edities
2.4.4 Een al te eerlijke uitgever?
2.4.5 Te laag genummerd!
2.4.6 Vervagend inhoudelijk verschil tussen oplagen en edities?
3. Plagiaat
3.1 Inleiding
3.2 Copyright en vermelding van bronnen
3.3 Grootscheepse toeëigeningen
3.4 Het plunderen van deelstudies
4. Verdere identiteitsproblemen
4.1 Hetzelfde woordenboek in verschillende uitdossing
4.2 Nieuwe edities onder gewijzigde titel
5. Het wekken van valse verwachtingen
5.1 Onjuiste getallen
5.2 Inhoud niet afgestemd op doelgroep
5.3 Onvoldoende kwaliteit
6. Productiefouten
Verwijzingen
1. Het begrip woordenboekcriminaliteit
Wat stelt iemand zich voor die voor het eerst met dit niet alledaagse begrip wordt geconfronteerd? Hij zou kunnen denken aan diefstal of verminking van het voorwerp in kwestie. Zulke vergrijpen komen zeker voor. Hebzucht is een passie die gemakkelijk tot excessen leidt, en zo zijn er ongetwijfeld verwoede verzamelaars die woordenboeken uit bibliotheken ontvreemden, of ze zonder betaling meenemen uit antiquariaten of boekenkramen. En naast zonderlingen die schilderijen met messen beschadigen, zijn er vast ook figuren die woordenboeken verminken door pagina's uit te scheuren of te bekrassen. Denk hier ook aan de activiteiten van bezorgde opvoeders die onwelvoeglijke woorden met zwarte inkt onleesbaar maken. Voorbeelden daarvan zijn gevonden in woordenboekexemplaren afkomstig uit priesterseminaries.
Ongetwijfeld zijn daar mooie verhalen over te vertellen, maar met dat soort zaken houdt deze beschouwing zich niet bezig. We zullen het begrip hanteren zoals het in omloop is gebracht door de Duitse lexicograaf Franz Josef Hausmann. Die bedacht de term 'Wörterbuchkriminalität' als aanduiding voor het gedrag van uitgevers die kopers van woordenboeken op het verkeerde been zetten. Waar hij precies bezwaar tegen maakte heeft hij op 15 november 1986 uiteengezet in een lezing op een lexicologie-dag van de Nederlandse Vereniging voor Toegepaste Taalwetenschap. De titel van die lezing luidde: 'Wörterbuchkriminalität. Lexicographie zwischen Markt und Wissenschaft'. De tekst ervan staat afgedrukt in Toegepaste taalwetenschap in artikelen 27 (1987, 1, p. 7-17).
Nu is 'criminaliteit' een begrip met een zeer negatieve lading, en de vraag rijst of deze term niet wat zwaar aangezet is voor bepaalde handelwijzen van uitgevers waarop kritiek wordt geleverd. Hausmann heeft zich die vraag ook gesteld, maar ziet redenen om de term toch te handhaven. Hij geeft daarover een verklaring in het artikel 'Dictionary Criminality', dat hij bijdroeg aan deel I (p.97-101) van de encyclopedie Wörterbücher. Dictionaries. Dictionnaires (1989). Het begint met de volgende passage:
Dictionary criminality is any form of deception involving the author of the dictionary, its publisher and its buyers or users. The terms criminality and deception are not to be understood in a strictly legal sense. The legal position of many of the facts mentioned here has not yet been clarified. Others may even be quite legal and in accordance with the laws of the country in question. And yet the terms deception and criminality are preferable to more neutral terms such as misinformation. After all, it is not any old product that is involved in the deception but rather the Dictionary - a cultural possession of great importance. But deception involving cultural possessions is shocking and is one of the evil facts (faits blâmables), which is one of the ways of defining a criminal. (1. Introduction, p. 97)
Wie in het onderwerp geïnteresseerd is doet er goed aan dit hele artikel, en ook dat in TTWA 27, aandachtig te lezen. Voor de beschrijving van de Nederlandse gevallen zullen we gebruik maken van het schema waarin Hausmann de door hem geconstateerde onrechtmatigheden heeft ondergebracht.
In zijn encyclopedie-artikel wordt een hoofdindeling gemaakt naar 'Deception as Regards Identity' (p. 97-99) en 'Deception as Regards Performance' (p. 99-100). Onder het eerste hoofd vallen a) misleidende titels, b) het maskeren van de ouderdom en de manier waarop het begrip Auflage wordt gehanteerd, c) het niet noemen van bronnen en in verband daarmee het probleem van het overschrijven. Onder het tweede hoofd vinden we de zonden die vooral voor rekening komen van de publiciteitsafdeling. Het gaat dan om a) misleidende cijfermatige gegevens, b) het aanbevelen van een werk voor een doelgroep waarvoor het niet geschikt is.
Bij dit alles is het mijn bedoeling de feiten te noemen zonder voortdurend met een beschuldigende vinger te wijzen. De lezer moet zelf maar uitmaken waar voor hem of haar grenzen van betamelijkheid worden overschreden. Toch is er veel voor te zeggen de term 'woordenboekcriminaliteit' (desnoods tussen aanhalingstekens) als algemeen begrip te blijven gebruiken. Het heeft immers door toedoen van Hausmann een zekere gangbaarheid gekregen om zaken aan te duiden waarin de consument bij de neus wordt genomen, of in elk geval niet optimaal wordt geïnformeerd.
Is het overigens belangrijk de consument zo goed mogelijk voor te lichten over inhoud en achtergrond van een woordenboek dat hij zich aanschaft? Deze kwestie kwam zijdelings aan de orde in een woordenwisseling die in 1984 plaats vond tussen Robert Burchfield en Laurence Urdang in het tijdschrift Encounter. In het september/octobernummer legde Burchfield voor hem onverwachte overeenkomsten bloot tussen een aantal bekende Engelse woordenboeken. De redactie van Encounter voorzag het artikel van de smeuïge titel 'Dictionaries, New & Old. Who plagiarizes Whom? Why & When?' De suggestie dat er plagiaat zou zijn gepleegd deed Urdang, die betrokken was geweest bij de samenstelling van enkele van die woordenboeken, in woede ontsteken. In het decembernummer legde hij uit hoe de overname van bepaalde bestanden zakelijk geregeld was. Hij vond ook dat het een zaak van de betrokken partijen was, of en hoe ze daarvan in hun woordenboeken melding wilden maken. Dit legalistisch standpunt wordt als volgt verwoord:
The manner in which the acknowledgments are set forth, both in wording and in prominence - and, in fact, whether they are required at all - is a matter between the owners and the purchasers of the rights; it is not, conceivably, any of Mr. Burchfield's business.
Burchfield, die ook nog door Urdang was gewaarschuwd dat hij bezig was zich aan smaadschrift schuldig te maken, antwoordde dat hij nergens had gesuggereerd dat er van plagiaat sprake was: hij had zijn artikel geschreven onder de neutrale titel 'The Genealogy of Dictionaries'. (Onder die titel staat het ook in zijn artikelenbundel Unlocking the English Language, London/Boston, 1989, p. 147-165). Hij bedankte Urdang voor de door hem verstrekte gegevens, die licht brachten in een tot dan toe duistere toestand.
Urdang vond trouwens dat gebruikers van woordenboeken meer belang hadden bij wat zo'n werk te bieden had dan bij mededelingen over afkomst en verwantschap. Dat moge zo zijn, maar vanuit een meer algemeen gezichtspunt was Burchfields aandrang op meer openheid alleszins respectabel. Hausmann ziet een zo groot mogelijke openheid over allerlei aspecten van woordenboeken zelfs als een goed recht van de consument en ook zonder meer als een kwestie van goed fatsoen.
2. Datering en editienummering
Verreweg de meeste ongerechtigheden betreffen de vermelding van misleidende jaartallen en editienummers. De kunstgrepen die hierbij worden toegepast variëren van lichte vergrijpen tot gevallen van schaamteloze misleiding.
2.1 Nieuwheid als verkoopfactor
Bij de verkoop van producten wordt de nieuwheidsfactor van groot belang geacht. Niet alleen wasmiddelen, ook woordenboeken worden soms uitdrukkelijk als 'nieuw' of 'vernieuwd' gepresenteerd. 'New edition' of zelfs 'Major New Edition' roept het omslag het koperspubliek toe. Ook in Nederland komt dat voor. De 37e druk van Kramers Woordenboek Engels (1993) werd bij verschijning tenminste door Elsevier in de handel gebracht met een ronde gele rugsticker met de tekst NIEUW!!! Wie dat thuis in de boekenkast wat schreeuwerig vond staan kon de sticker overigens moeiteloos verwijderen.
Nieuwheid kan ook blijken uit het recente jaartal dat een publicatie siert. Daarbij kan het extra indruk maken dat een werk al aardig wat edities heeft doorlopen. Dat bewijst immers dat het bij het publiek succes heeft gehad. De ideale situatie voor een uitgever is het uitbrengen van een nieuwe editie van een goed bekend staand woordenboek voorzien van een fris ogend jaartal. Helaas blijven nieuwe edities niet eeuwig nieuw, en als de volgende editie te lang uitblijft, schept dat voor de uitgever een probleem. Wat dan vaak gebeurt is dat de ouderdom van het werk wordt gemaskeerd. Een tweede uitweg is het presenteren van een herdruk als 'nieuwe' editie met verhoogd druknummer, een twijfelachtige praktijk waar de betere uitgevers zich doorgaans verre van houden.
2.2 Het omgaan met jaartallen
Jaartallen zijn mooi zolang ze niet te ver in het verleden liggen. Als ze zichtbare blijken van veroudering worden is dat niet prettig. De ene uitgever is daar gevoeliger voor dan de andere. De eenvoudigste oplossing is het jaartal gewoon te schrappen, waarmee in elk geval een negatief element wordt verwijderd. Deze praktijk werd in de tweede helft van de vorige eeuw nogal eens gevolgd door uitgeverij Van Goor. De verschillende edities van de zakwoordenboeken Frans, Duits en Engels die daar toen het licht zagen kregen doorgaans een jaartal mee, soms op de titelpagina, maar in elk geval onder het voorwoord. In latere oplagen werd zo'n jaartal vaak verwijderd, wanneer naar het oordeel van de uitgever een kritische periode was verstreken. (Zie Trefwoord 6, 1993, p. 15-33; of Van der Sijs (red.), Woordenboeken en hun makers [1998], p. 113-141.)
Wie publicatiedata ziet als mogelijke bron van latere narigheid kan ze ook meteen al weglaten. Wat het vermelden van jaartallen betreft vindt men binnen dezelfde serie soms willekeurige variatie. Koenen's Verklarend Handwoordenboek der Nederlandsche Taal draagt doorgaans het jaartal onder het voorwoord, alleen de eerste druk heeft het ook op de titelpagina. Vreemde uitzonderingen zijn daarbij de tweede, de vijftiende en de zestiende druk. Daarin ontbreekt elk jaartal. Aan zulke edities is niet te constateren of ze al aan het verouderen zijn, maar evenmin kan de koper zien of ze misschien nog brandnieuw zijn. Dat we nu achteraf weten wanneer ze gepubliceerd zijn komt doordat de uitgever later alsnog opening van zaken heeft gegeven. Vanaf de 25e druk (1960) bevat het woordenboek een volledige lijst van de publikatiejaren van de opeenvolgende edities.
2.2.1 Creatief gebruik van jaartallen
Afwezigheid van enige jaaraanduiding kan echter bij de koper wantrouwen wekken. De uitgever zal dus bij voorkeur wel een jaartal vermelden, liefst een van recente datum. Een suggestie van blijvende nieuwheid kan met een eenvoudige kunstgreep worden bereikt door naast, of in plaats van, de datum van oorspronkelijke uitgave, het jaar te vermelden van de laatste oplage. Wolters-Noordhoff deed dit meteen al bij verschijning van de 27e druk (1974) van de Koenen. Deze werd gekenmerkt als 'Eerste oplage van de zevenentwintigste druk (1974)'. Ook van alle volgende oplagen werd het jaar van verschijnen specifiek vermeld. Dit wierp zijn vruchten af, toen de volgende druk, de Grote Koenen van 1986, lang op zich liet wachten, en kort daarvoor nog de 'Elfde oplage van de zevenentwintigste druk' van het jaartal 1985 kon worden voorzien. Hoewel het jaartal 1974 onder het voorwoord bleef staan, en tevens als jaar van het copyright gehandhaafd bleef, en de inhoud van het boek geen wijziging onderging, kon het oplagejaartal toch nog de illusie wekken dat het woordenboek nog kort geleden was nagezien. Zo'n oplagejaartal verscheen inderdaad niet zelden als het publikatiejaar in werkstukken van studenten en, treurig genoeg, ook in taalkundige publikaties van wetenschappers die beter hadden moeten weten.
Deze dateringsmethode was trouwens niet nieuw: ze was al eerder gebruikt in Van Dale's Handwoordenboek, waarvan de vierde druk (1925) jarenlang werd herdrukt, tot na de oorlog eindelijk de vijfde (1948) verscheen. Ook in de naoorlogse edities wordt deze praktijk gevolgd. Van de negende druk (1982) bezit ik een vierde oplage van 1986, van de achtste (1975) een tweede oplage van 1977, een jaartal dat in dit laatste geval ook brutaalweg op de titelpagina werd afgedrukt. Ten slotte moet nog gezegd dat een copyrightjaartal niet noodzakelijkerwijs identiek is aan het publikatiejaar van een bepaalde druk. Het copyright van de negende druk (1982) staat namelijk genoteerd als 1984. Jaartallen in woordenboeken moeten dus steeds kritisch worden geëvalueerd.
Hoewel hier niets gebeurt dat juridisch niet in de haak is, wordt de consument, die op dit gebied vaak onwetend zal zijn, toch zand in de ogen gestrooid.
2.3 Editienummering: drukken en oplagen
Publieksverwarring kan ook worden gezaaid bij de nummering van wat uitgevers vrij willekeurig edities, uitgaven of drukken noemen. We weten dat uitgevers voor bepaalde woordenboeken een duidelijk onderscheid hanteren tussen (inhoudelijk verschillende) drukken, en (inhoudelijk identieke) oplagen daarvan, maar dit onderscheid is in het boekenvak niet algemeen. Om een voorbeeld te noemen, wie een 25e druk tegenkomt van KuitenbrouwersTurbo-taal, of een 7e van Voskuils Meneer Beerta (deel I. van Het Bureau), zal niet veronderstellen dat hij te doen heeft met latere inhoudelijk gewijzigde versies van die werken. Het gebruik van deze termen is dus enigszins problematisch, en het is een gemis dat daarvan niets blijkt in J.A. Brongers' Boekwoorden woordenboek (1996), waar men kon verwachten dat gesignaleerd te zien.
Ook bij kleinere woordenboekjes verwacht men niet dat elke hoger genummerde druk een inhoudelijke wijziging ten opzichte van de vorige meebrengt. Dat was volstrekt onaannemelijk voor de 79 drukken van KoenensVerklarend Zakwoordenboekje, waarvan de publikatiegeschiedenis uit de doeken is gedaan in opeenvolgende nummers van de Woordenaar (1/1, mei 1997, 6-8; 1/2, oktober 1997, 11-14; 2/1, mei 1998, 1-6). En met het bij W. Versluys uitgegeven Beknopt Verklarend Zakwoordenboekje (1942) van Koster en Schuringa is het van hetzelfde laken een pak. Daarvan werden de druknummers in een beperkt aantal jaren eveneens tot grote hoogte opgejaagd. Ook de Prisma woordenboeken gingen in steeds nieuwe edities van de hand. Hier had de uitgever echter het fatsoen om in de korte publikatiegeschiedenis voorin het boek vaak te vermelden welke druk een nieuw bewerkte was.
Niettemin zijn we er, door de praktijk van gerenommeerde woordenboekuitgevers als bijvoorbeeld Van Goor, J.B. Wolters, Nijhoff en hun opvolgers, aan gewend geraakt dat alleen van een nieuwe druk wordt gesproken als er een inhoudelijke verandering heeft plaatsgevonden. Vandaar ook dat Frans Claes (Trefwoord 2, juni 1992, p. 11) zeer ontstemd was, toen hij merkte dat van de door hem bewerkte zesde druk (1988) van Brouwers' Het juiste woord nieuwe oplagen als hoger genummerde drukken werden gepubliceerd.
We moeten er dus altijd op verdacht zijn dat een nieuw genummerde druk een herdruk van de voorafgaande kan zijn. En het is zeker dienstig op gevallen daarvan te wijzen. Een bekend geval is de vijfde druk (1943) van StoettsNederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, die een ongewijzigde herdruk is van de vierde (1923-1925). Dit wordt overigens in het voorwoord netjes meegedeeld. Informatie van deze aard ontbreekt echter in het voorbericht van de 2e druk van Het Vreemde Woord van Brandt en De Haan, eveneens een ongewijzigde herdruk van de voorafgaande.
Op deze wijze kan aan oudere uitgaven geschikt een geur van nieuwheid worden verleend. Een bijzonder fraai staaltje daarvan zag ik enige tijd geleden in de boekhandel met betrekking tot het bekende Nederlands Etymologisch Woordenboek van Jan de Vries. Ik had, volgens de fraai opgemaakte titelpagina, een exemplaar in handen van de vierde druk uit 1997, 'met aanvullingen, verbeteringen en woordregisters door F. de Tollenaere' en 'de woordregisters op grond van excerpten van Maaike Hogenhout-Mulder.' Extra cachet wordt aan deze uitgave verleend doordat uitgeverij E.J. Brill, vroeger domicilie houdend in Leiden, nu blijkt te opereren vanuit Leiden - New York - Köln. Op de achterzijde van de titelpagina vindt men de volgende imponerende drukgeschiedenis: eerste druk 1971, tweede druk 1987, derde druk 1992, vierde druk 1997.
Dat dit alles het nodige vertrouwen kan wekken merkte ik bij een volgend bezoek aan dezelfde boekhandel. Daar zag ik een klant, die net de afweging had gemaakt met de nieuwe druk van het Van Dale Etymologisch Woordenboek (ook 1997), zijn keuze bepalen op Jan de Vries. Er was natuurlijk enig prijsvoordeel in het geding (f.119,50 tegen f.135), maar zou hij dezelfde keuze hebben gemaakt als hij had geweten dat zijn vierde druk in niets verschilde van de eerste uit 1971, die op de titelpagina ook al de aanvullingen van De Tollenaere en de woordenlijsten van Hogenhout vermeldt?
Verder onderzoek zal ongetwijfeld nog meer dergelijke gevallen aan het licht brengen.
2.3.1 Flagrante misleiding via druknummers gepaard met andere valse informatie
In op deze wijze vernummerde edities worden niet zelden de oude titelpagina's en voorwoorden domweg overgenomen. Om te zien wat er dan kan gebeuren gaan we even terug naar Koenens Verklarend Handwoordenboek, waarvan het ingewijden bekend zal zijn dat drukken 3, 5 en 7 onveranderde heruitgaven waren van de nummers 2, 4 en 6. Dat dit zo was wordt door de uitgever nergens met zo veel woorden gezegd. Anderzijds was er bij de presentatie van drukken 3 en 5 ook geen sprake van flagrante misleiding van het koperspubliek. De uitgever had tenminste de zorgvuldigheid betracht de kwalificatie 'zeer vermeerderd' van de 2e druk, en het 'herzien en aangevuld' van de 4e druk, van de titelpagina van de herdrukken te verwijderen. Ook het voorwoord van zo'n herdruk moet eigenlijk worden aangepast. Voor de 3e druk leidde dat tot twee eenvoudige ingrepen. Het oude opschrift 'Voor den tweeden druk' werd vervangen door 'Voor den tweeden en derden druk', en de beginzin: 'Deze tweede druk [...] is met zorg voorbereid' luidde nu: 'Deze twee herdrukken [...] zijn met zorg voorbereid.' Verder bleef de inhoud hetzelfde. We kunnen toch nog het bezwaar maken dat niet voldoende duidelijk wordt dat de 3e druk identiek is aan de 2e. Datzelfde geldt voor de 5e ten opzichte van de 4e. Die druk heeft nu een eigen 'Voorbericht voor den vijfden druk', wat een zekere zelfstandigheid suggereert. De twee voorwoorden zijn overigens voor een flink deel identiek. Nieuw is een lange passage in de 5e druk waarin Koenen, na een ontvangen opmerking daarover, zijn schatplichtigheid aan A.W. Stellwagen breder etaleert. Wat bij de onveranderde 7e druk gebeurde kan echter absoluut niet door de beugel. Op de titelpagina staat deze geafficheerd als 'Herziene en aangevulde zevende druk', en dat is dus pure misleiding. Ook het voorwoord, ongewijzigd overgenomen maar nu getiteld 'Voor den zevenden druk', draagt hiertoe bij met de beginzin: 'Op het titelblad leest men wederom: 'herziene en aangevulde druk'.' Wie dit leest moet toch wel denken dat in de zevende druk allerlei veranderingen zijn aangebracht. Ik haast mij hier toe te voegen dat dit de enige mij bekende uitglijder van deze aard is die uitgeverij J.B. Wolters op zijn kerfstok heeft.
Bij enkele andere uitgeverijen was dit soort misleidende informatie echter schering en inslag. Heel bont maakten het de Gebroeders E. & M. Cohen, die als ramsj-uitgevers een aantal Calisch-woordenboeken bleven uitgeven. Het ging vooral om een drietal tweetalige werken onder de titel Nieuw Fransch Woordenboek, Nieuw Hoogduitsch Woordenboek en Nieuw Engelsch Woordenboek, coprodukties die op naam stonden van I.M. Calisch (1808-1885) en N.S. Calisch (1819-1891), waarvan de oorspronkelijke uitgaven in de Bibliography van Claes/Bakema gedateerd worden op resp. 1886, 1890 en 1890. Deze werken van nogal ouderwetse snit werden, aanvankelijk vanuit Arnhem-Nijmegen en vanaf 1906 vanuit Amsterdam, ongewijzigd op de markt gebracht met steeds hoger wordende druknummers - ik zelf bezit een stel aangeduid als 12e druk. Naar datering of toelichtend voorwoord zoekt men tevergeefs. Alleen staat op de titelpagina telkens de onbeschaamde leugen 'Verbeterde en vermeerderde uitgave'.
Ook Campagne zag er geen been in de consument bij de neus te nemen. De bekende vertaalwoordenboeken Duits, Frans en Engels werden aanvankelijk conscientieus bewerkt, maar ergens na het eerste kwart van deze eeuw ging het mis. Toen kwamen er steeds hoger genummerde edities uit, volgens de titelpagina 'herzien en vermeerderd' door de vanouds bekende namen. Maar de 13e druk van het deel Engels, op de titelpagina gedateerd 1934 en 'herzien en vermeerderd' door R. van Duinen, is geheel identiek aan de 8e druk van 1924. Toppunt van onbeschaamdheid is dat ook het voorbericht, met als eerste zin: 'Opnieuw heeft het Engelsch Woordenboek vele veranderingen ondergaan', ongewijzigd is overgenomen. Hoewel ik niet alle drukken van alle Campagne woordenboeken heb kunnen inzien, durf ik wel zeggen dat wat voor het deel Engels gold, ook van toepassing is op het deel Frans, herzien door P. van Duinen. Uit archiefgegevens van uitgeverij Malmberg, mij welwillend toegestuurd door archivaris Theo Jansen, blijkt dat voor de delen Frans en Engels nog een herziene 7e druk is samengesteld door respectievelijk P. van Duinen (1925) en R. van Duinen (1924?), degenen die ook een aantal eerdere drukken hadden bewerkt. Daarna lijkt er nog slechts ongewijzigd te zijn herdrukt. Voor het deel Duits is de situatie nog erger. Daar blijkt de 12e druk (1934), 'bewerkt door J. Snijder en R. Dijkstra', geheel identiek aan de 5e van 1918, waarin het tweetal bewerkers al te boek staat als 'Vorm. Lehrer an der höhern Bürgerschule zu Amsterdam'. Het Voorbericht van de 12e druk laat toch nog een verandering zien. Daarin heet het nu: 'Het Duitsche woordenboek heeft in den loop der jaren vele veranderingen ondergaan'. Jammer dat niet duidelijk is wanneer dat precies was.
2.4 Enkele kanttekeningen
2.4.1 Jaartallen in literatuurlijsten
Stel we verwijzen naar het Nederlands Etymologisch Woordenboek, dat, zoals boven vermeld, in 1997 een fraai uitgevoerde vierde druk beleefde, die inhoudelijk in niets verschilde van de eerste. Welk jaartal zetten we daar dan bij? Hopelijk 1971 en niet het schoonschijnende 1997. In dit verband noem ik een ervaring van een promovendus in de theologie. Voor zijn proefschrift had hij gebruik gemaakt van J.H. Moulton en W.F. Howard, A Grammar of New Testament Greek in een editie van 1929. Zijn copromotor bezat een editie uit 1990, die bij vergelijking identiek bleek te zijn aan die uit 1929. Toch insisteerde hij op de datering 1990, 'want dat stond beter'. Zulke praktijken verdienen strenge afkeuring.
2.4.2 Author power
Boven werd Brouwers' Het juiste woord genoemd als een werk waarvan vanaf een zeker moment nieuwe oplagen unverfroren als nieuwe drukken werden gepresenteerd. Wie schetst mijn verbazing toen ik vorig jaar in de boekhandel een omgespelde editie (1997) tegenkwam die op de oude manier werd aangeduid als de vijfde oplage van de zesde druk. Dit terwijl er in jan. 1991 (verder heb ik het niet bijgehouden) al een zogenaamde 'tiende druk' was verschenen. Wat was hier gebeurd?
Frans Claes liet mij weten dat hij de Standaard Uitgeverij een ultimatum had gesteld. Hij was alleen bereid aan de bewerking van een nieuwe uitgave te beginnen, wanneer de oude nummering werd hersteld. De nieuwe directeur was bereid gebleken aan deze voorwaarde te voldoen. De vroegere directeur, onder wiens regiem de kwestieuze nummering in 1988-1989 was ingevoerd, had eerder zijn gezicht proberen te redden door op Claes' klacht te antwoorden dat dit buiten zijn medeweten was geschied.
2.4.3 Informatie over wel of niet herziene edities
Claes hield hiermee de stelregel hoog dat een hoger druk- of editienummer slechts mag worden toegekend wanneer de inhoud is herzien. Dat schept duidelijkheid en kan verhinderen dat het koperspubliek bij de neus wordt genomen. Boven zijn allerlei voorbeelden genoemd waarbij de consument in meerdere of mindere mate werd misleid. Hierbij nog een kanttekening.
Sommige uitgevers die graag doornummeren betrachten toch nog een zekere mate van eerlijkheid door expliciet aan te geven welke van de opeenvolgende edities opnieuw bewerkt zijn. Dat gebeurde bijvoorbeeld in het rijtje met data voorin de oude Prisma-woordenboeken. Ook in het Etymologisch Woordenboek van J. de Vries en F. de Tollenaere heeft uitgeverij Spectrum deze praktijk gevolgd. De publicatiegeschiedenis van dat werk wordt nog gepreciseerd door de opeenvolgende voorwoorden van De Tollenaere. Die maken nogmaals duidelijk dat, nadat hij in de 13e druk (1983) het boek voor het eerst bewerkte, alleen de 15e (1991) en 20e (1997) verder zijn herzien.
Toch blijft dergelijke informatie eenzijdig. Wanneer een nieuwgenummerde editie een herziening heeft ondergaan wordt dat luid en duidelijk onder de aandacht gebracht. Maar wanneer een 'nieuwe editie' een ongewijzigde herdruk is van de vorige wordt dit feit verzwegen. De consument kan zich dus het beste wantrouwend opstellen en uitgaan van de stelregel: 'Geen nieuws is slecht nieuws'.
We mogen niet verhelen dat het doornummeren van edities, meestal ongewijzigd en daartussen een enkele herziene, zeer wijd verbreid is. Uitgevers houden er kennelijk van met regelmaat nieuwe edities uit te brengen, als bewijs dat er blijvende vraag is naar het boek. Alleen een harde kern van gerenommeerde woordenboekuitgevers distantieert zich nog van deze manoeuvres. Zij werken met hun naamsbekendheid en volgen het devies: 'Goede wijn behoeft geen krans'.
2.4.4 Een al te eerlijke uitgever?
Uitgeverijen stellen hun uitgaven vanzelfsprekend in een zo gunstig mogelijk licht. Je hoeft het koperspubliek per slot van rekening niet alles aan de neus te hangen; zeker niet, als er vrolijk wordt doorgenummerd, dat een nieuwe druk eigenlijk in niets verschilt van de voorafgaande. Zelden vindt men dus op het titelblad in grote letters een aankondiging als 'NEGENDE ONVERANDERDE DRUK'. Zo wordt niettemin Van Goors herdruk (1921) van Kramers' Nieuw Engelsch Woordenboek gepresenteerd, ook al bevat die als extraatje nog ruim acht pagina's 'Errata & Addenda'. Dit gebeurde toen de achtste druk uitverkocht was geraakt en F.P.H. Prick van Wely zijn grootscheepse herziening van dat woordenboek nog niet had afgerond. Deze verscheen als Engelsch Handwoordenboek in 1923. Een afgeleide daarvan verscheen in 1926 als tiende druk van het Engelsch Woordenboek, dat inmiddels het epitheton 'nieuw' was kwijtgeraakt.
2.4.5 Te laag genummerd!
De lust om op de titelpagina met hogere druknummers te pronken doet zich niet altijd gelden. Het is zelfs een paar maal voorgekomen, dat een nieuwbewerkte editie werd uitgebracht met het oude druknummer. Bij uitgeverij Van Goor werd een deel van de exemplaren van de 8e druk (1901) van de Dictionnaire de Poche het land ingestuurd met de aanduiding 'septième édition' (zie Trefwoord 6, sept. 1993, p.32, n. 46). Ook van de 12e druk (1896) van Kramers' Woordentolk Verkort is een exemplaar gevonden dat op de titelpagina als 'elfde druk' wordt gekenschetst. Hoe kon dit gebeuren? Zei de kostenbewuste directeur misschien tegen zijn ondergeschikte: 'Ach, meneer Jansen, we hebben geloof ik nog een voorraadje oude titels in het magazijn liggen. Plak die er maar op?'
2.4.6 Vervagend inhoudelijk verschil tussen oplagen en edities?
Als gewerkt wordt met een onderscheid tussen oplagen (onveranderd) en drukken of edities (nieuw bewerkt), hoe absoluut is dan dit verschil? Zijn de opeenvolgende oplagen van een bepaalde druk altijd volstrekt identiek met elkaar? Dat was vroeger meer het geval dan nu. Voor elke kleine tussentijdse verandering moest destijds het zetsel worden veranderd, een operatie waartoe niet licht werd overgegaan. (Dat het toch wel eens gebeurde, blijkt uit de lotgevallen van het woord 'Mof', beschreven in De Woordenaar, 1/2, oktober 1997, p. 8-10.)
Nu de computertechnologie zijn intree heeft gedaan, is het veel gemakkelijker geworden stilzwijgend veranderingen aan te brengen in de tekst van eenzelfde druk. Vaak zal het gaan om verbeteringen van fouten. Zo werd in de elfde druk van de Grote Van Dale de vermakelijke uitleg 'tostie' bij het trefwoord 'offerbrood(je)' schielijk veranderd in 'hostie'. Ook in het recente Groene Boekje, waarvan intussen bijna een miljoen exemplaren over de toonbank zijn gegaan, is er vooral in de eerste vier oplagen het nodige veranderd. Niet alleen werden aperte fouten verbeterd, ook leidde nadere bezinning op de correcte toepassing van de spellingregels wel eens tot een andere uitkomst.
Woordenboekfanaten zijn geneigd meteen naar de winkel te snellen wanneer een nieuw werk of een nieuwe druk verschijnt. Net als bij nieuwe automodellen kan het zijn voordeel hebben even te wachten tot de kinderziekten eruit zijn.
3. Plagiaat
3.1 Inleiding
In een ver verleden moeten taalkundige pioniers ooit hun eerste woordenlijstjes hebben opgesteld, maar toen zich een lexicografische traditie ging vormen, maakten nieuwe werken gretig gebruik van wat er al eerder was. Gelukkig maar, kunnen we zeggen, want als steeds opnieuw van het nulpunt moet worden vertrokken, kan weinig vooruitgang worden geboekt.
Hoe bepaalde woordenboeken aan elkaar gerelateerd zijn is door verschillende lexicologen onderzocht. Voor het Engels is er bijvoorbeeld het baanbrekende overzicht van Starnes en Noyes, The English Dictionary from Cawdrey to Johnson 1604-1755 (1946; 1991 met aanvullende bibliografie van Stein). Welk materiaal als grondslag diende voor de dictionnaires van Hexham (1647 ev), Sewel (1691 ev) en Holtrop (1789 ev), de vroegste tweetalige woordenboeken Nederlands en Engels, wordt in detail beschreven in Osseltons The Dumb Linguists (1973).
Ook vinden we nog wat gegevens in Van Sterkenburgs Van Woordenlijst tot Woordenboek (1984), nader aangeduid als 'Inleiding tot de geschiedenis van woordenboeken van het Nederlands'. In dit globaal overzicht, waarin ook de tweetalige woordenboeken zijn meegenomen, worden voornamelijk de grote lijnen aangegeven. Wat de details van de verwantschap betreft blijft er echter nog veel te onderzoeken.
De vraag is nu of we bij al deze navolging van plagiaat willen spreken. Veel geciteerd wordt het bon-mot van Charles Nodier (1785-1844): 'Les dictionnaires sont des plagiats par ordre alphabétique'. Het gaat dan, dunkt me, niet zozeer om een beschuldiging als om de feitelijke constatering dat woordenboekmakers veel te rade gaan bij hun voorgangers. Ook Osselton spreekt in zijn bovengenoemde studie van 'plagiarism', maar doet dat met enige aarzeling. Hij vraagt zich tenminste af 'if this is not too unkind a word', en noemt verder deze praktijk in de gegeven omstandigheden 'almost inevitable' (a.w., 109). Dat van bronnen gebruik wordt gemaakt is normaal. De hoeveelheid zelfstandige inbreng bepaalt vervolgens de waarde van een woordenboek. Als die gering is, komt de neiging op van plagiaat te spreken. Het oordeel waar daarbij een grens wordt overschreden zal subjectief blijven.
3.2 Copyright en vermelding van bronnen
Tegenwoordig kan het nadrukken van andermans werk tot een rechtszaak leiden. De angst daarvoor speelde toen midden jaren vijftig de reeks Prisma-woordenboeken werd opgezet. Hoe dit in zijn werk ging is door Ewoud Sanders geboekstaafd in De W lijkt ons niet zo'n heksentoer (1993). Natuurlijk putten de auteurs, die in zeer korte tijd hun deeltje af moesten hebben, daarvoor uit de gangbare woordenboeken. Om onaangenaamheden te voorkomen had uitgeverij Het Spectrum in de auteurscontracten de volgende bepaling opgenomen: 'De samensteller verplicht zich (...) een zodanige afstand van soortgelijke reeds bestaande werken te bewaren, dat overeenkomsten beperkt blijven tot het onvermijdelijke.' (Sanders, p. 41). Met het deeltje Spaans-Nederlands ging het mis. Dat vertoonde volgens de directie teveel gelijkenis met het grote woordenboek van Van Dam uit het fonds van Van Goor. Het werd alsnog aangepast, en Het Spectrum prees zich naderhand gelukkig dat zo een mogelijk 'plagiaatproces' (p. 43) was voorkomen.
Gebruikte bronnen werden in de Prisma-reeks niet genoemd, en ook in andere woordenboeken blijft dat vaak achterwege. Onder de loffelijke uitzonderingen noemen we speciaal het voorwoord van J. Kramers Jz. bij zijnNouveau Dictionnaire Français-Hollandais (1858) en dat van J.H. van Dale, bij zijn Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal (1872). Heel bijzonder is de dertien nummers tellende lijst van 'Ouvrages Consultés' in deDictionnaire Pratique Illustré van Borlé en Nolen (1908). Dit werk gold als de tweede druk van de Dictionnaire Complet (1888), waarin samenstellers Delinotte en Nolen slechts schatplichtigheid erkenden aan het 'meest verbreide woordenboek in Frankrijk, dat van P. Larousse'.
Dat er bij nieuwe dictionaires of nieuwe bewerkingen daavan vaak geen bronnen worden genoemd, heeft er vermoedelijk ook mee te maken dat woordenboeken vaak als publiek bezit worden beschouwd. Dat geldt helemaal voor mammoetwerken als de OED en het WNT, gigantische woordverzamelingen die een gezonde grondslag kunnen leveren voor lexicografische ondernemingen op kleinere schaal. Wie uit die werken put zal dan ook niet licht van plagiaat worden beschuldigd.
Wie bronnen noemt doet dat vaak als blijk van erkentelijkheid. Ook de wellevendheid vereist dat melding wordt gemaakt van publicaties waaruit overduidelijk is geput.
3.3 Grootscheepse toeëigeningen
In het midden van de vorige eeuw verschenen kort na elkaar bij uitgeverij Van Goor drie zakwoordenboeken. Samengesteld door de onbekende auteur A. Jaeger waren ze getiteld Nouveau Dictionnaire de Poche, Français-Hollandais et Hollandais-Français (1857), Neues Taschen-Wörterbuch, Deutsch-Holländisch und Holländisch-Deutsch (1858) en A New Pocket-Dictionary of the English and Dutch and Dutch and English Languages (1859).
Jaeger bleek later een schuilnaam van Jacob Kramers Jz. Zoals ik heb aangetoond in 'Van Tauchnitz naar Jaeger' (Trefwoord 10, 1995, p. 16-32) ging het hier om gestolen goed. Het waren slechts licht bewerkte versies van deeltjes uit het fonds van Tauchnitz, van onbekend auteurschap. Van Goor zweeg over de herkomst van zijn nieuwe zakwoordenboeken en ook de kritiek vestigde daar niet de aandacht op. Steeds opnieuw bewerkt, groeiden ze vervolgens uit tot de kwalitatief uitstekende Kramers' woordenboeken Frans, Duits en Engels. Achteraf moeten we constateren dat Van Goor zich met zijn dubieuze manoeuvre in één klap een veelbelovende uitgangspositie verschafte in de markt van de tweetalige schoolwoordenboeken en dat hij die positie bekwaam uitbouwde.
Ook in de tegenwoordige tijd nemen uitgeverijen wel bestanden van elders over om die later zelf verder te ontwikkelen. Hiervoor wordt dan een zakelijke overeenkomst afgesloten met de eigenaar van het copyright. Voorbeelden uit de Engelstalige sector kwamen aan het licht in de woordenwisseling tussen Urdang en Burchfield, waarover boven (zie 1.1) is gerapporteerd. Niet bekend is of Van Goor ook een dergelijke transactie had afgesloten met Tauchnitz. Omdat het copyright in de vorige eeuw nog weinig rechtsbescherming genoot, zal dat niet beslist nodig zijn geweest en daarom houden we het er maar op dat Van Goor destijds roofdrukken op de markt bracht.
Het zich toeëigenen van een heel woordenboek zal niet veel voorkomen, zeker tegenwoordig niet: wie zo'n streek uithaalt mag immers verwachten snel door de mand te vallen. Zeer opmerkelijk is daarom het volgende geval, dat mij werd gerapporteerd door Jan van Donselaar, wiens gegevens ik hier samenvat.
In 1985 verscheen bij Bosch & Keuning Sranantongo / Surinaamse taal. Een korte inleiding tot het Sranantongo met uitgebreide woordenlijst, van de hand van Max Sordam en Hein Eersel. De in de titel genoemde woordenlijst beslaat niet minder dan 312 van de in totaal 383 bladzijden. Hij omvat een lijst Nederlands-Surinaams, een lijst Surinaams-Nederlands, een lijst 'Dieren' en een lijst 'Planten en vruchten'. De laatste twee geven van de opgenomen dieren en planten de naam in het Sranantongo, de algemeen Nederlandse of Surinaams-Nederlandse naam, de wetenschappelijke naam van de betroffen soort en die van de familie waartoe deze behoort.
Deze op het eerste gezicht respectabele arbeid van de beide auteurs verliest echter aanzienlijk aan glans voor wie weet dat al deze lijsten van a tot z, en geheel zonder bronvermelding, waren overgeschreven uit de Woordenlijst Sranan-Nederlands-Engels, met een lijst van planten- en dierennamen, de vermeerderde tweede versie (1980) van een boek dat in 1961 was verschenen bij uitgeverij Vaco te Paramaribo.
Natuurlijk kon dit plagiaat niet verborgen blijven. Vaco zag echter af van een proces. De biologen Teunissen en Werkhoven, de auteurs van de lijsten met dieren en planten, legden zich niet bij de zaak neer. Met hen werd een schikking getroffen en ook komen hun lijsten niet meer voor in een volgende druk (1993) van het gewraakte boek van Sordam en Eersel. Daarin staat nog wel de overgenomen algemene woordenlijst, waarvan het copyright niet voldoende vast lag. (Zie over beide werken in meer algemene zin nog J. van Donselaar, 'De woordenschat van het Sranatongo', Trefwoord 11, p. 191-193.)
Een zeer flagrante schending van het copyright heeft zich kort geleden nog voorgedaan in Rusland, waar in 1997 een Groot woordenboek Russisch-Nederlands werd uitgebracht. Dit bleek een roofdruk van het in 1979 bij Coutinho verschenen Russisch woordenboek: Russisch-Nederlands van de hand van de Nederlandse slavist A.H. van den Baar. De titelpagina van de Russische uitgave vermeldde de namen van twee fictieve auteurs en een eveneens fictieve uitgever. (Zie voor nadere details De Woordenaar, 3/1, mei 1999, p. 1-2.)
3.4 Het plunderen van deelstudies
Werkjes die graag door makers en bewerkers van algemene woordenboeken worden benut zijn deelverzamelingen van vaktermen, neologismen en dergelijke. Soms wordt daar in voorwoorden melding van gemaakt, soms ook niet. Auteurs van zulke vaak uit eigen lectuur samengestelde werkjes hebben gelijk als ze aan de bel trekken wanneer ze merken dat uit hun publicaties is geput zonder dat daarvan melding wordt gemaakt. Ik noem hier twee voorbeelden.
In het eerste geval richtte A.W. Stellwagen een klacht tot M.J. Koenen. Koenen had namelijk in de vierde druk (1903) van zijn woordenboek - zo luidde de beschuldiging - 'een paar honderd Roomsche en een zeer groot aantal Protestantsche woorden' uit publicaties van Stellwagen opgenomen zonder te zeggen waar hij die vandaan had. Stellwagen stelde dat op rustige toon vast in zijn recensie in School en Leven (jg. 5, 1903-1904, kol. 186), en hield zich 'te gelegener tijd aanbevolen voor de welverdiende erkentelijkheid'. Koenen maakte zijn verzuim goed in het voorbericht voor de vijfde druk (1905), waarin hij ook nog andere vergetenen bedankte.
Beide heren bleven op goede voet met elkaar. De beladen term 'plagiaat' was trouwens niet gevallen.
Dat gebeurde wel in het tweede geval, waarin F.P.H. Prick van Wely het aan de stok kreeg met L. van der Wal. Prick had vrijwel vanaf het begin aantekeningen verzameld bij het deel Engels-Nederlands (1894) van Ten Bruggencates Engelsch Woordenboek. In 1904 publiceerde hij dat commentaar - uitgegroeid tot 250 pagina's - onder de titel Addenda en Corrigenda. De ruzie brak uit na de verschijning in 1907 van de vierde druk van het deel EN. Deze was bezorgd door L. van der Wal, die Ten Bruggencate een aantal jaren als bewerker verving. Prick vond dat de nieuwe druk sterk was verbeterd, maar merkte ook op dat bij de herziening zeer ruim gebruik was gemaakt van zijn Addenda en Corrigenda, zonder dat hiervan melding werd gemaakt. De zaak werd aangekaart zowel in Het Schoolblad als in het weekblad De Amsterdammer (alias 'De Groene'). Dat Pricks commentaar in de nieuwe druk was verwerkt is gemakkelijk vast te stellen. Van der Wal bleef dat echter glashard ontkennen. Door een incompetente aanpak bleef een duidelijke uitspraak van neutrale zijde uit. De onverkwikkelijke affaire had vermeden kunnen worden als in het voorwoord met een enkel zinnetje was meegedeeld dat van Pricks werk dankbaar gebruik was gemaakt. Het wetenschappelijk fatsoen vereiste dat ook. (Zie voor de details het tweede deel van mijn artikel over Prick van Wely, dat t.z.t. op deze website zal verschijnen.)
4. Verdere identiteitsproblemen
...
Verwijzingen
Jan Posthumus [bron: https--ivdnt.org/images/stories/onderzoek_en_onderwijs/publicaties/trefwoord/woordenboekcriminaliteit.html]
--- Over (foto 2): Prisma ---
De Aula-reeks is een populair-wetenschappelijke boekenreeks die in 1957 werd gestart door Uitgeverij Het Spectrum in Utrecht als wetenschappelijkere versie van de Prisma Pockets naar het voorbeeld van de Engelse Pelican Books. De reeks omvatte ruim 700 pockets over mens- en natuurwetenschappen, kunst en filosofie.
Het betreft de volgende uitgaven:
...
[bron: wikipedia]
||door: Prisma
||taal: nl
||jaar: 1997
||druk: 6e druk, herziene
||pag.: 835p
||opm.: pocket|gelezen
||isbn: 90-274-6169-4
||code: 1:002106
--- Over het boek (foto 1): De grote Prisma Nederlands ---
Signalementen: Grote Prisma Nederlands
Van De grote Prisma Nederlands van André Abeling is in 2009 de twaalfde, herziene druk verschenen. Het woordenboek bestaat al sinds 1989 (toen onder de titel Prisma Handwoordenboek Nederlands). In 1992 verscheen de vierde druk onder de titel Spectrum Woordenboek Nederlands. Vanaf 1997 (zesde druk) heet het woordenboek De grote Prisma Nederlands. Het mag niet verward worden met het in Neerlandia/Nederlands van Nu (2010, nr. 2, pp. 44-45) besproken Prisma Handwoordenboek Nederlands, het eerste verklarende woordenboek van het Nederlands waarin niet alleen Belgisch-Nederlands, maar ook Nederlands-Nederlands gemarkeerd wordt. Dit woordenboek is nog steeds een heel traditioneel vanuit Nederlands standpunt geschreven woordenboek, waarin hier en daar wat Belgisch-Nederlands opgenomen is. Een pluspunt is dat het woordenboek veel informatie biedt over woorden in zinsverband en woordcombinaties. (PD)
André Abeling, De grote Prisma Nederlands, Het Spectrum, Utrecht, 2009, 902 pp., ISBN 978 90 491 0313 2. Prijs: euro 14,99.
Peter Debrabandere [bron: https--www.dbnl.org/tekst/_nee003201001_01/_nee003201001_01_0095.php]
Het Groene woordenboek is een Nederlands woordenboek.
Het is een herziene en uitgebreide editie van 'De grote Prisma Nederlands' van André Abeling uit 1997 en uitgegeven door Sdu Uitgevers in 2002.
Volgens de uitgever is de spelling (als enige woordenboek) in overeenstemming met die van de 'Woordenlijst Nederlandse taal' uit 1995, beter bekend als het Groene Boekje. Desondanks wijkt het Groene woordenboek soms wel degelijk af van het Groene Boekje:
Groene woordenboek Groene Boekje
dienst doen (aaneen!) dienstdoen
kamer (aaneengeschreven met onder meer: commissie, debat, fractie) Kamer (aaneengeschreven met onder meer: dezelfde woorden en gebouw)
portiek, de (zij) of het portiek, de (v.)
snoep, de (hij) of het snoep, de (m.)
[bron: wikipedia]
Woordenboekcriminaliteit
[Het onderstaande is een bijgewerkte samenvatting van een viertal artikelen eerder verschenen in De Woordenaar, de halfjaarlijkse Nieuwsbrief van het Matthias de Vries-Genootschap, nos. 1/1 (mei 1997) p. 2-4; 1/2 (oktober 1997) p. 1-6; 2/1 (mei 1998) p. 1-6; 2/2 (oktober 1998) p. 1-5]
1. Het begrip woordenboekcriminaliteit
2. Datering en editienummering
2.1 Nieuwheid als verkoopfactor
2.2 Het omgaan met jaartallen
2.2.1 Creatief gebruik van jaartallen
2.3 Editienummering: drukken en oplagen
2.3.1 Flagrante misleiding via druknummers gepaard met andere valse informatie
2.4 Enkele kanttekeningen
2.4.1 Jaartallen in literatuurlijsten
2.4.2 Author power
2.4.3 Informatie over wel of niet herziene edities
2.4.4 Een al te eerlijke uitgever?
2.4.5 Te laag genummerd!
2.4.6 Vervagend inhoudelijk verschil tussen oplagen en edities?
3. Plagiaat
3.1 Inleiding
3.2 Copyright en vermelding van bronnen
3.3 Grootscheepse toeëigeningen
3.4 Het plunderen van deelstudies
4. Verdere identiteitsproblemen
4.1 Hetzelfde woordenboek in verschillende uitdossing
4.2 Nieuwe edities onder gewijzigde titel
5. Het wekken van valse verwachtingen
5.1 Onjuiste getallen
5.2 Inhoud niet afgestemd op doelgroep
5.3 Onvoldoende kwaliteit
6. Productiefouten
Verwijzingen
1. Het begrip woordenboekcriminaliteit
Wat stelt iemand zich voor die voor het eerst met dit niet alledaagse begrip wordt geconfronteerd? Hij zou kunnen denken aan diefstal of verminking van het voorwerp in kwestie. Zulke vergrijpen komen zeker voor. Hebzucht is een passie die gemakkelijk tot excessen leidt, en zo zijn er ongetwijfeld verwoede verzamelaars die woordenboeken uit bibliotheken ontvreemden, of ze zonder betaling meenemen uit antiquariaten of boekenkramen. En naast zonderlingen die schilderijen met messen beschadigen, zijn er vast ook figuren die woordenboeken verminken door pagina's uit te scheuren of te bekrassen. Denk hier ook aan de activiteiten van bezorgde opvoeders die onwelvoeglijke woorden met zwarte inkt onleesbaar maken. Voorbeelden daarvan zijn gevonden in woordenboekexemplaren afkomstig uit priesterseminaries.
Ongetwijfeld zijn daar mooie verhalen over te vertellen, maar met dat soort zaken houdt deze beschouwing zich niet bezig. We zullen het begrip hanteren zoals het in omloop is gebracht door de Duitse lexicograaf Franz Josef Hausmann. Die bedacht de term 'Wörterbuchkriminalität' als aanduiding voor het gedrag van uitgevers die kopers van woordenboeken op het verkeerde been zetten. Waar hij precies bezwaar tegen maakte heeft hij op 15 november 1986 uiteengezet in een lezing op een lexicologie-dag van de Nederlandse Vereniging voor Toegepaste Taalwetenschap. De titel van die lezing luidde: 'Wörterbuchkriminalität. Lexicographie zwischen Markt und Wissenschaft'. De tekst ervan staat afgedrukt in Toegepaste taalwetenschap in artikelen 27 (1987, 1, p. 7-17).
Nu is 'criminaliteit' een begrip met een zeer negatieve lading, en de vraag rijst of deze term niet wat zwaar aangezet is voor bepaalde handelwijzen van uitgevers waarop kritiek wordt geleverd. Hausmann heeft zich die vraag ook gesteld, maar ziet redenen om de term toch te handhaven. Hij geeft daarover een verklaring in het artikel 'Dictionary Criminality', dat hij bijdroeg aan deel I (p.97-101) van de encyclopedie Wörterbücher. Dictionaries. Dictionnaires (1989). Het begint met de volgende passage:
Dictionary criminality is any form of deception involving the author of the dictionary, its publisher and its buyers or users. The terms criminality and deception are not to be understood in a strictly legal sense. The legal position of many of the facts mentioned here has not yet been clarified. Others may even be quite legal and in accordance with the laws of the country in question. And yet the terms deception and criminality are preferable to more neutral terms such as misinformation. After all, it is not any old product that is involved in the deception but rather the Dictionary - a cultural possession of great importance. But deception involving cultural possessions is shocking and is one of the evil facts (faits blâmables), which is one of the ways of defining a criminal. (1. Introduction, p. 97)
Wie in het onderwerp geïnteresseerd is doet er goed aan dit hele artikel, en ook dat in TTWA 27, aandachtig te lezen. Voor de beschrijving van de Nederlandse gevallen zullen we gebruik maken van het schema waarin Hausmann de door hem geconstateerde onrechtmatigheden heeft ondergebracht.
In zijn encyclopedie-artikel wordt een hoofdindeling gemaakt naar 'Deception as Regards Identity' (p. 97-99) en 'Deception as Regards Performance' (p. 99-100). Onder het eerste hoofd vallen a) misleidende titels, b) het maskeren van de ouderdom en de manier waarop het begrip Auflage wordt gehanteerd, c) het niet noemen van bronnen en in verband daarmee het probleem van het overschrijven. Onder het tweede hoofd vinden we de zonden die vooral voor rekening komen van de publiciteitsafdeling. Het gaat dan om a) misleidende cijfermatige gegevens, b) het aanbevelen van een werk voor een doelgroep waarvoor het niet geschikt is.
Bij dit alles is het mijn bedoeling de feiten te noemen zonder voortdurend met een beschuldigende vinger te wijzen. De lezer moet zelf maar uitmaken waar voor hem of haar grenzen van betamelijkheid worden overschreden. Toch is er veel voor te zeggen de term 'woordenboekcriminaliteit' (desnoods tussen aanhalingstekens) als algemeen begrip te blijven gebruiken. Het heeft immers door toedoen van Hausmann een zekere gangbaarheid gekregen om zaken aan te duiden waarin de consument bij de neus wordt genomen, of in elk geval niet optimaal wordt geïnformeerd.
Is het overigens belangrijk de consument zo goed mogelijk voor te lichten over inhoud en achtergrond van een woordenboek dat hij zich aanschaft? Deze kwestie kwam zijdelings aan de orde in een woordenwisseling die in 1984 plaats vond tussen Robert Burchfield en Laurence Urdang in het tijdschrift Encounter. In het september/octobernummer legde Burchfield voor hem onverwachte overeenkomsten bloot tussen een aantal bekende Engelse woordenboeken. De redactie van Encounter voorzag het artikel van de smeuïge titel 'Dictionaries, New & Old. Who plagiarizes Whom? Why & When?' De suggestie dat er plagiaat zou zijn gepleegd deed Urdang, die betrokken was geweest bij de samenstelling van enkele van die woordenboeken, in woede ontsteken. In het decembernummer legde hij uit hoe de overname van bepaalde bestanden zakelijk geregeld was. Hij vond ook dat het een zaak van de betrokken partijen was, of en hoe ze daarvan in hun woordenboeken melding wilden maken. Dit legalistisch standpunt wordt als volgt verwoord:
The manner in which the acknowledgments are set forth, both in wording and in prominence - and, in fact, whether they are required at all - is a matter between the owners and the purchasers of the rights; it is not, conceivably, any of Mr. Burchfield's business.
Burchfield, die ook nog door Urdang was gewaarschuwd dat hij bezig was zich aan smaadschrift schuldig te maken, antwoordde dat hij nergens had gesuggereerd dat er van plagiaat sprake was: hij had zijn artikel geschreven onder de neutrale titel 'The Genealogy of Dictionaries'. (Onder die titel staat het ook in zijn artikelenbundel Unlocking the English Language, London/Boston, 1989, p. 147-165). Hij bedankte Urdang voor de door hem verstrekte gegevens, die licht brachten in een tot dan toe duistere toestand.
Urdang vond trouwens dat gebruikers van woordenboeken meer belang hadden bij wat zo'n werk te bieden had dan bij mededelingen over afkomst en verwantschap. Dat moge zo zijn, maar vanuit een meer algemeen gezichtspunt was Burchfields aandrang op meer openheid alleszins respectabel. Hausmann ziet een zo groot mogelijke openheid over allerlei aspecten van woordenboeken zelfs als een goed recht van de consument en ook zonder meer als een kwestie van goed fatsoen.
2. Datering en editienummering
Verreweg de meeste ongerechtigheden betreffen de vermelding van misleidende jaartallen en editienummers. De kunstgrepen die hierbij worden toegepast variëren van lichte vergrijpen tot gevallen van schaamteloze misleiding.
2.1 Nieuwheid als verkoopfactor
Bij de verkoop van producten wordt de nieuwheidsfactor van groot belang geacht. Niet alleen wasmiddelen, ook woordenboeken worden soms uitdrukkelijk als 'nieuw' of 'vernieuwd' gepresenteerd. 'New edition' of zelfs 'Major New Edition' roept het omslag het koperspubliek toe. Ook in Nederland komt dat voor. De 37e druk van Kramers Woordenboek Engels (1993) werd bij verschijning tenminste door Elsevier in de handel gebracht met een ronde gele rugsticker met de tekst NIEUW!!! Wie dat thuis in de boekenkast wat schreeuwerig vond staan kon de sticker overigens moeiteloos verwijderen.
Nieuwheid kan ook blijken uit het recente jaartal dat een publicatie siert. Daarbij kan het extra indruk maken dat een werk al aardig wat edities heeft doorlopen. Dat bewijst immers dat het bij het publiek succes heeft gehad. De ideale situatie voor een uitgever is het uitbrengen van een nieuwe editie van een goed bekend staand woordenboek voorzien van een fris ogend jaartal. Helaas blijven nieuwe edities niet eeuwig nieuw, en als de volgende editie te lang uitblijft, schept dat voor de uitgever een probleem. Wat dan vaak gebeurt is dat de ouderdom van het werk wordt gemaskeerd. Een tweede uitweg is het presenteren van een herdruk als 'nieuwe' editie met verhoogd druknummer, een twijfelachtige praktijk waar de betere uitgevers zich doorgaans verre van houden.
2.2 Het omgaan met jaartallen
Jaartallen zijn mooi zolang ze niet te ver in het verleden liggen. Als ze zichtbare blijken van veroudering worden is dat niet prettig. De ene uitgever is daar gevoeliger voor dan de andere. De eenvoudigste oplossing is het jaartal gewoon te schrappen, waarmee in elk geval een negatief element wordt verwijderd. Deze praktijk werd in de tweede helft van de vorige eeuw nogal eens gevolgd door uitgeverij Van Goor. De verschillende edities van de zakwoordenboeken Frans, Duits en Engels die daar toen het licht zagen kregen doorgaans een jaartal mee, soms op de titelpagina, maar in elk geval onder het voorwoord. In latere oplagen werd zo'n jaartal vaak verwijderd, wanneer naar het oordeel van de uitgever een kritische periode was verstreken. (Zie Trefwoord 6, 1993, p. 15-33; of Van der Sijs (red.), Woordenboeken en hun makers [1998], p. 113-141.)
Wie publicatiedata ziet als mogelijke bron van latere narigheid kan ze ook meteen al weglaten. Wat het vermelden van jaartallen betreft vindt men binnen dezelfde serie soms willekeurige variatie. Koenen's Verklarend Handwoordenboek der Nederlandsche Taal draagt doorgaans het jaartal onder het voorwoord, alleen de eerste druk heeft het ook op de titelpagina. Vreemde uitzonderingen zijn daarbij de tweede, de vijftiende en de zestiende druk. Daarin ontbreekt elk jaartal. Aan zulke edities is niet te constateren of ze al aan het verouderen zijn, maar evenmin kan de koper zien of ze misschien nog brandnieuw zijn. Dat we nu achteraf weten wanneer ze gepubliceerd zijn komt doordat de uitgever later alsnog opening van zaken heeft gegeven. Vanaf de 25e druk (1960) bevat het woordenboek een volledige lijst van de publikatiejaren van de opeenvolgende edities.
2.2.1 Creatief gebruik van jaartallen
Afwezigheid van enige jaaraanduiding kan echter bij de koper wantrouwen wekken. De uitgever zal dus bij voorkeur wel een jaartal vermelden, liefst een van recente datum. Een suggestie van blijvende nieuwheid kan met een eenvoudige kunstgreep worden bereikt door naast, of in plaats van, de datum van oorspronkelijke uitgave, het jaar te vermelden van de laatste oplage. Wolters-Noordhoff deed dit meteen al bij verschijning van de 27e druk (1974) van de Koenen. Deze werd gekenmerkt als 'Eerste oplage van de zevenentwintigste druk (1974)'. Ook van alle volgende oplagen werd het jaar van verschijnen specifiek vermeld. Dit wierp zijn vruchten af, toen de volgende druk, de Grote Koenen van 1986, lang op zich liet wachten, en kort daarvoor nog de 'Elfde oplage van de zevenentwintigste druk' van het jaartal 1985 kon worden voorzien. Hoewel het jaartal 1974 onder het voorwoord bleef staan, en tevens als jaar van het copyright gehandhaafd bleef, en de inhoud van het boek geen wijziging onderging, kon het oplagejaartal toch nog de illusie wekken dat het woordenboek nog kort geleden was nagezien. Zo'n oplagejaartal verscheen inderdaad niet zelden als het publikatiejaar in werkstukken van studenten en, treurig genoeg, ook in taalkundige publikaties van wetenschappers die beter hadden moeten weten.
Deze dateringsmethode was trouwens niet nieuw: ze was al eerder gebruikt in Van Dale's Handwoordenboek, waarvan de vierde druk (1925) jarenlang werd herdrukt, tot na de oorlog eindelijk de vijfde (1948) verscheen. Ook in de naoorlogse edities wordt deze praktijk gevolgd. Van de negende druk (1982) bezit ik een vierde oplage van 1986, van de achtste (1975) een tweede oplage van 1977, een jaartal dat in dit laatste geval ook brutaalweg op de titelpagina werd afgedrukt. Ten slotte moet nog gezegd dat een copyrightjaartal niet noodzakelijkerwijs identiek is aan het publikatiejaar van een bepaalde druk. Het copyright van de negende druk (1982) staat namelijk genoteerd als 1984. Jaartallen in woordenboeken moeten dus steeds kritisch worden geëvalueerd.
Hoewel hier niets gebeurt dat juridisch niet in de haak is, wordt de consument, die op dit gebied vaak onwetend zal zijn, toch zand in de ogen gestrooid.
2.3 Editienummering: drukken en oplagen
Publieksverwarring kan ook worden gezaaid bij de nummering van wat uitgevers vrij willekeurig edities, uitgaven of drukken noemen. We weten dat uitgevers voor bepaalde woordenboeken een duidelijk onderscheid hanteren tussen (inhoudelijk verschillende) drukken, en (inhoudelijk identieke) oplagen daarvan, maar dit onderscheid is in het boekenvak niet algemeen. Om een voorbeeld te noemen, wie een 25e druk tegenkomt van KuitenbrouwersTurbo-taal, of een 7e van Voskuils Meneer Beerta (deel I. van Het Bureau), zal niet veronderstellen dat hij te doen heeft met latere inhoudelijk gewijzigde versies van die werken. Het gebruik van deze termen is dus enigszins problematisch, en het is een gemis dat daarvan niets blijkt in J.A. Brongers' Boekwoorden woordenboek (1996), waar men kon verwachten dat gesignaleerd te zien.
Ook bij kleinere woordenboekjes verwacht men niet dat elke hoger genummerde druk een inhoudelijke wijziging ten opzichte van de vorige meebrengt. Dat was volstrekt onaannemelijk voor de 79 drukken van KoenensVerklarend Zakwoordenboekje, waarvan de publikatiegeschiedenis uit de doeken is gedaan in opeenvolgende nummers van de Woordenaar (1/1, mei 1997, 6-8; 1/2, oktober 1997, 11-14; 2/1, mei 1998, 1-6). En met het bij W. Versluys uitgegeven Beknopt Verklarend Zakwoordenboekje (1942) van Koster en Schuringa is het van hetzelfde laken een pak. Daarvan werden de druknummers in een beperkt aantal jaren eveneens tot grote hoogte opgejaagd. Ook de Prisma woordenboeken gingen in steeds nieuwe edities van de hand. Hier had de uitgever echter het fatsoen om in de korte publikatiegeschiedenis voorin het boek vaak te vermelden welke druk een nieuw bewerkte was.
Niettemin zijn we er, door de praktijk van gerenommeerde woordenboekuitgevers als bijvoorbeeld Van Goor, J.B. Wolters, Nijhoff en hun opvolgers, aan gewend geraakt dat alleen van een nieuwe druk wordt gesproken als er een inhoudelijke verandering heeft plaatsgevonden. Vandaar ook dat Frans Claes (Trefwoord 2, juni 1992, p. 11) zeer ontstemd was, toen hij merkte dat van de door hem bewerkte zesde druk (1988) van Brouwers' Het juiste woord nieuwe oplagen als hoger genummerde drukken werden gepubliceerd.
We moeten er dus altijd op verdacht zijn dat een nieuw genummerde druk een herdruk van de voorafgaande kan zijn. En het is zeker dienstig op gevallen daarvan te wijzen. Een bekend geval is de vijfde druk (1943) van StoettsNederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, die een ongewijzigde herdruk is van de vierde (1923-1925). Dit wordt overigens in het voorwoord netjes meegedeeld. Informatie van deze aard ontbreekt echter in het voorbericht van de 2e druk van Het Vreemde Woord van Brandt en De Haan, eveneens een ongewijzigde herdruk van de voorafgaande.
Op deze wijze kan aan oudere uitgaven geschikt een geur van nieuwheid worden verleend. Een bijzonder fraai staaltje daarvan zag ik enige tijd geleden in de boekhandel met betrekking tot het bekende Nederlands Etymologisch Woordenboek van Jan de Vries. Ik had, volgens de fraai opgemaakte titelpagina, een exemplaar in handen van de vierde druk uit 1997, 'met aanvullingen, verbeteringen en woordregisters door F. de Tollenaere' en 'de woordregisters op grond van excerpten van Maaike Hogenhout-Mulder.' Extra cachet wordt aan deze uitgave verleend doordat uitgeverij E.J. Brill, vroeger domicilie houdend in Leiden, nu blijkt te opereren vanuit Leiden - New York - Köln. Op de achterzijde van de titelpagina vindt men de volgende imponerende drukgeschiedenis: eerste druk 1971, tweede druk 1987, derde druk 1992, vierde druk 1997.
Dat dit alles het nodige vertrouwen kan wekken merkte ik bij een volgend bezoek aan dezelfde boekhandel. Daar zag ik een klant, die net de afweging had gemaakt met de nieuwe druk van het Van Dale Etymologisch Woordenboek (ook 1997), zijn keuze bepalen op Jan de Vries. Er was natuurlijk enig prijsvoordeel in het geding (f.119,50 tegen f.135), maar zou hij dezelfde keuze hebben gemaakt als hij had geweten dat zijn vierde druk in niets verschilde van de eerste uit 1971, die op de titelpagina ook al de aanvullingen van De Tollenaere en de woordenlijsten van Hogenhout vermeldt?
Verder onderzoek zal ongetwijfeld nog meer dergelijke gevallen aan het licht brengen.
2.3.1 Flagrante misleiding via druknummers gepaard met andere valse informatie
In op deze wijze vernummerde edities worden niet zelden de oude titelpagina's en voorwoorden domweg overgenomen. Om te zien wat er dan kan gebeuren gaan we even terug naar Koenens Verklarend Handwoordenboek, waarvan het ingewijden bekend zal zijn dat drukken 3, 5 en 7 onveranderde heruitgaven waren van de nummers 2, 4 en 6. Dat dit zo was wordt door de uitgever nergens met zo veel woorden gezegd. Anderzijds was er bij de presentatie van drukken 3 en 5 ook geen sprake van flagrante misleiding van het koperspubliek. De uitgever had tenminste de zorgvuldigheid betracht de kwalificatie 'zeer vermeerderd' van de 2e druk, en het 'herzien en aangevuld' van de 4e druk, van de titelpagina van de herdrukken te verwijderen. Ook het voorwoord van zo'n herdruk moet eigenlijk worden aangepast. Voor de 3e druk leidde dat tot twee eenvoudige ingrepen. Het oude opschrift 'Voor den tweeden druk' werd vervangen door 'Voor den tweeden en derden druk', en de beginzin: 'Deze tweede druk [...] is met zorg voorbereid' luidde nu: 'Deze twee herdrukken [...] zijn met zorg voorbereid.' Verder bleef de inhoud hetzelfde. We kunnen toch nog het bezwaar maken dat niet voldoende duidelijk wordt dat de 3e druk identiek is aan de 2e. Datzelfde geldt voor de 5e ten opzichte van de 4e. Die druk heeft nu een eigen 'Voorbericht voor den vijfden druk', wat een zekere zelfstandigheid suggereert. De twee voorwoorden zijn overigens voor een flink deel identiek. Nieuw is een lange passage in de 5e druk waarin Koenen, na een ontvangen opmerking daarover, zijn schatplichtigheid aan A.W. Stellwagen breder etaleert. Wat bij de onveranderde 7e druk gebeurde kan echter absoluut niet door de beugel. Op de titelpagina staat deze geafficheerd als 'Herziene en aangevulde zevende druk', en dat is dus pure misleiding. Ook het voorwoord, ongewijzigd overgenomen maar nu getiteld 'Voor den zevenden druk', draagt hiertoe bij met de beginzin: 'Op het titelblad leest men wederom: 'herziene en aangevulde druk'.' Wie dit leest moet toch wel denken dat in de zevende druk allerlei veranderingen zijn aangebracht. Ik haast mij hier toe te voegen dat dit de enige mij bekende uitglijder van deze aard is die uitgeverij J.B. Wolters op zijn kerfstok heeft.
Bij enkele andere uitgeverijen was dit soort misleidende informatie echter schering en inslag. Heel bont maakten het de Gebroeders E. & M. Cohen, die als ramsj-uitgevers een aantal Calisch-woordenboeken bleven uitgeven. Het ging vooral om een drietal tweetalige werken onder de titel Nieuw Fransch Woordenboek, Nieuw Hoogduitsch Woordenboek en Nieuw Engelsch Woordenboek, coprodukties die op naam stonden van I.M. Calisch (1808-1885) en N.S. Calisch (1819-1891), waarvan de oorspronkelijke uitgaven in de Bibliography van Claes/Bakema gedateerd worden op resp. 1886, 1890 en 1890. Deze werken van nogal ouderwetse snit werden, aanvankelijk vanuit Arnhem-Nijmegen en vanaf 1906 vanuit Amsterdam, ongewijzigd op de markt gebracht met steeds hoger wordende druknummers - ik zelf bezit een stel aangeduid als 12e druk. Naar datering of toelichtend voorwoord zoekt men tevergeefs. Alleen staat op de titelpagina telkens de onbeschaamde leugen 'Verbeterde en vermeerderde uitgave'.
Ook Campagne zag er geen been in de consument bij de neus te nemen. De bekende vertaalwoordenboeken Duits, Frans en Engels werden aanvankelijk conscientieus bewerkt, maar ergens na het eerste kwart van deze eeuw ging het mis. Toen kwamen er steeds hoger genummerde edities uit, volgens de titelpagina 'herzien en vermeerderd' door de vanouds bekende namen. Maar de 13e druk van het deel Engels, op de titelpagina gedateerd 1934 en 'herzien en vermeerderd' door R. van Duinen, is geheel identiek aan de 8e druk van 1924. Toppunt van onbeschaamdheid is dat ook het voorbericht, met als eerste zin: 'Opnieuw heeft het Engelsch Woordenboek vele veranderingen ondergaan', ongewijzigd is overgenomen. Hoewel ik niet alle drukken van alle Campagne woordenboeken heb kunnen inzien, durf ik wel zeggen dat wat voor het deel Engels gold, ook van toepassing is op het deel Frans, herzien door P. van Duinen. Uit archiefgegevens van uitgeverij Malmberg, mij welwillend toegestuurd door archivaris Theo Jansen, blijkt dat voor de delen Frans en Engels nog een herziene 7e druk is samengesteld door respectievelijk P. van Duinen (1925) en R. van Duinen (1924?), degenen die ook een aantal eerdere drukken hadden bewerkt. Daarna lijkt er nog slechts ongewijzigd te zijn herdrukt. Voor het deel Duits is de situatie nog erger. Daar blijkt de 12e druk (1934), 'bewerkt door J. Snijder en R. Dijkstra', geheel identiek aan de 5e van 1918, waarin het tweetal bewerkers al te boek staat als 'Vorm. Lehrer an der höhern Bürgerschule zu Amsterdam'. Het Voorbericht van de 12e druk laat toch nog een verandering zien. Daarin heet het nu: 'Het Duitsche woordenboek heeft in den loop der jaren vele veranderingen ondergaan'. Jammer dat niet duidelijk is wanneer dat precies was.
2.4 Enkele kanttekeningen
2.4.1 Jaartallen in literatuurlijsten
Stel we verwijzen naar het Nederlands Etymologisch Woordenboek, dat, zoals boven vermeld, in 1997 een fraai uitgevoerde vierde druk beleefde, die inhoudelijk in niets verschilde van de eerste. Welk jaartal zetten we daar dan bij? Hopelijk 1971 en niet het schoonschijnende 1997. In dit verband noem ik een ervaring van een promovendus in de theologie. Voor zijn proefschrift had hij gebruik gemaakt van J.H. Moulton en W.F. Howard, A Grammar of New Testament Greek in een editie van 1929. Zijn copromotor bezat een editie uit 1990, die bij vergelijking identiek bleek te zijn aan die uit 1929. Toch insisteerde hij op de datering 1990, 'want dat stond beter'. Zulke praktijken verdienen strenge afkeuring.
2.4.2 Author power
Boven werd Brouwers' Het juiste woord genoemd als een werk waarvan vanaf een zeker moment nieuwe oplagen unverfroren als nieuwe drukken werden gepresenteerd. Wie schetst mijn verbazing toen ik vorig jaar in de boekhandel een omgespelde editie (1997) tegenkwam die op de oude manier werd aangeduid als de vijfde oplage van de zesde druk. Dit terwijl er in jan. 1991 (verder heb ik het niet bijgehouden) al een zogenaamde 'tiende druk' was verschenen. Wat was hier gebeurd?
Frans Claes liet mij weten dat hij de Standaard Uitgeverij een ultimatum had gesteld. Hij was alleen bereid aan de bewerking van een nieuwe uitgave te beginnen, wanneer de oude nummering werd hersteld. De nieuwe directeur was bereid gebleken aan deze voorwaarde te voldoen. De vroegere directeur, onder wiens regiem de kwestieuze nummering in 1988-1989 was ingevoerd, had eerder zijn gezicht proberen te redden door op Claes' klacht te antwoorden dat dit buiten zijn medeweten was geschied.
2.4.3 Informatie over wel of niet herziene edities
Claes hield hiermee de stelregel hoog dat een hoger druk- of editienummer slechts mag worden toegekend wanneer de inhoud is herzien. Dat schept duidelijkheid en kan verhinderen dat het koperspubliek bij de neus wordt genomen. Boven zijn allerlei voorbeelden genoemd waarbij de consument in meerdere of mindere mate werd misleid. Hierbij nog een kanttekening.
Sommige uitgevers die graag doornummeren betrachten toch nog een zekere mate van eerlijkheid door expliciet aan te geven welke van de opeenvolgende edities opnieuw bewerkt zijn. Dat gebeurde bijvoorbeeld in het rijtje met data voorin de oude Prisma-woordenboeken. Ook in het Etymologisch Woordenboek van J. de Vries en F. de Tollenaere heeft uitgeverij Spectrum deze praktijk gevolgd. De publicatiegeschiedenis van dat werk wordt nog gepreciseerd door de opeenvolgende voorwoorden van De Tollenaere. Die maken nogmaals duidelijk dat, nadat hij in de 13e druk (1983) het boek voor het eerst bewerkte, alleen de 15e (1991) en 20e (1997) verder zijn herzien.
Toch blijft dergelijke informatie eenzijdig. Wanneer een nieuwgenummerde editie een herziening heeft ondergaan wordt dat luid en duidelijk onder de aandacht gebracht. Maar wanneer een 'nieuwe editie' een ongewijzigde herdruk is van de vorige wordt dit feit verzwegen. De consument kan zich dus het beste wantrouwend opstellen en uitgaan van de stelregel: 'Geen nieuws is slecht nieuws'.
We mogen niet verhelen dat het doornummeren van edities, meestal ongewijzigd en daartussen een enkele herziene, zeer wijd verbreid is. Uitgevers houden er kennelijk van met regelmaat nieuwe edities uit te brengen, als bewijs dat er blijvende vraag is naar het boek. Alleen een harde kern van gerenommeerde woordenboekuitgevers distantieert zich nog van deze manoeuvres. Zij werken met hun naamsbekendheid en volgen het devies: 'Goede wijn behoeft geen krans'.
2.4.4 Een al te eerlijke uitgever?
Uitgeverijen stellen hun uitgaven vanzelfsprekend in een zo gunstig mogelijk licht. Je hoeft het koperspubliek per slot van rekening niet alles aan de neus te hangen; zeker niet, als er vrolijk wordt doorgenummerd, dat een nieuwe druk eigenlijk in niets verschilt van de voorafgaande. Zelden vindt men dus op het titelblad in grote letters een aankondiging als 'NEGENDE ONVERANDERDE DRUK'. Zo wordt niettemin Van Goors herdruk (1921) van Kramers' Nieuw Engelsch Woordenboek gepresenteerd, ook al bevat die als extraatje nog ruim acht pagina's 'Errata & Addenda'. Dit gebeurde toen de achtste druk uitverkocht was geraakt en F.P.H. Prick van Wely zijn grootscheepse herziening van dat woordenboek nog niet had afgerond. Deze verscheen als Engelsch Handwoordenboek in 1923. Een afgeleide daarvan verscheen in 1926 als tiende druk van het Engelsch Woordenboek, dat inmiddels het epitheton 'nieuw' was kwijtgeraakt.
2.4.5 Te laag genummerd!
De lust om op de titelpagina met hogere druknummers te pronken doet zich niet altijd gelden. Het is zelfs een paar maal voorgekomen, dat een nieuwbewerkte editie werd uitgebracht met het oude druknummer. Bij uitgeverij Van Goor werd een deel van de exemplaren van de 8e druk (1901) van de Dictionnaire de Poche het land ingestuurd met de aanduiding 'septième édition' (zie Trefwoord 6, sept. 1993, p.32, n. 46). Ook van de 12e druk (1896) van Kramers' Woordentolk Verkort is een exemplaar gevonden dat op de titelpagina als 'elfde druk' wordt gekenschetst. Hoe kon dit gebeuren? Zei de kostenbewuste directeur misschien tegen zijn ondergeschikte: 'Ach, meneer Jansen, we hebben geloof ik nog een voorraadje oude titels in het magazijn liggen. Plak die er maar op?'
2.4.6 Vervagend inhoudelijk verschil tussen oplagen en edities?
Als gewerkt wordt met een onderscheid tussen oplagen (onveranderd) en drukken of edities (nieuw bewerkt), hoe absoluut is dan dit verschil? Zijn de opeenvolgende oplagen van een bepaalde druk altijd volstrekt identiek met elkaar? Dat was vroeger meer het geval dan nu. Voor elke kleine tussentijdse verandering moest destijds het zetsel worden veranderd, een operatie waartoe niet licht werd overgegaan. (Dat het toch wel eens gebeurde, blijkt uit de lotgevallen van het woord 'Mof', beschreven in De Woordenaar, 1/2, oktober 1997, p. 8-10.)
Nu de computertechnologie zijn intree heeft gedaan, is het veel gemakkelijker geworden stilzwijgend veranderingen aan te brengen in de tekst van eenzelfde druk. Vaak zal het gaan om verbeteringen van fouten. Zo werd in de elfde druk van de Grote Van Dale de vermakelijke uitleg 'tostie' bij het trefwoord 'offerbrood(je)' schielijk veranderd in 'hostie'. Ook in het recente Groene Boekje, waarvan intussen bijna een miljoen exemplaren over de toonbank zijn gegaan, is er vooral in de eerste vier oplagen het nodige veranderd. Niet alleen werden aperte fouten verbeterd, ook leidde nadere bezinning op de correcte toepassing van de spellingregels wel eens tot een andere uitkomst.
Woordenboekfanaten zijn geneigd meteen naar de winkel te snellen wanneer een nieuw werk of een nieuwe druk verschijnt. Net als bij nieuwe automodellen kan het zijn voordeel hebben even te wachten tot de kinderziekten eruit zijn.
3. Plagiaat
3.1 Inleiding
In een ver verleden moeten taalkundige pioniers ooit hun eerste woordenlijstjes hebben opgesteld, maar toen zich een lexicografische traditie ging vormen, maakten nieuwe werken gretig gebruik van wat er al eerder was. Gelukkig maar, kunnen we zeggen, want als steeds opnieuw van het nulpunt moet worden vertrokken, kan weinig vooruitgang worden geboekt.
Hoe bepaalde woordenboeken aan elkaar gerelateerd zijn is door verschillende lexicologen onderzocht. Voor het Engels is er bijvoorbeeld het baanbrekende overzicht van Starnes en Noyes, The English Dictionary from Cawdrey to Johnson 1604-1755 (1946; 1991 met aanvullende bibliografie van Stein). Welk materiaal als grondslag diende voor de dictionnaires van Hexham (1647 ev), Sewel (1691 ev) en Holtrop (1789 ev), de vroegste tweetalige woordenboeken Nederlands en Engels, wordt in detail beschreven in Osseltons The Dumb Linguists (1973).
Ook vinden we nog wat gegevens in Van Sterkenburgs Van Woordenlijst tot Woordenboek (1984), nader aangeduid als 'Inleiding tot de geschiedenis van woordenboeken van het Nederlands'. In dit globaal overzicht, waarin ook de tweetalige woordenboeken zijn meegenomen, worden voornamelijk de grote lijnen aangegeven. Wat de details van de verwantschap betreft blijft er echter nog veel te onderzoeken.
De vraag is nu of we bij al deze navolging van plagiaat willen spreken. Veel geciteerd wordt het bon-mot van Charles Nodier (1785-1844): 'Les dictionnaires sont des plagiats par ordre alphabétique'. Het gaat dan, dunkt me, niet zozeer om een beschuldiging als om de feitelijke constatering dat woordenboekmakers veel te rade gaan bij hun voorgangers. Ook Osselton spreekt in zijn bovengenoemde studie van 'plagiarism', maar doet dat met enige aarzeling. Hij vraagt zich tenminste af 'if this is not too unkind a word', en noemt verder deze praktijk in de gegeven omstandigheden 'almost inevitable' (a.w., 109). Dat van bronnen gebruik wordt gemaakt is normaal. De hoeveelheid zelfstandige inbreng bepaalt vervolgens de waarde van een woordenboek. Als die gering is, komt de neiging op van plagiaat te spreken. Het oordeel waar daarbij een grens wordt overschreden zal subjectief blijven.
3.2 Copyright en vermelding van bronnen
Tegenwoordig kan het nadrukken van andermans werk tot een rechtszaak leiden. De angst daarvoor speelde toen midden jaren vijftig de reeks Prisma-woordenboeken werd opgezet. Hoe dit in zijn werk ging is door Ewoud Sanders geboekstaafd in De W lijkt ons niet zo'n heksentoer (1993). Natuurlijk putten de auteurs, die in zeer korte tijd hun deeltje af moesten hebben, daarvoor uit de gangbare woordenboeken. Om onaangenaamheden te voorkomen had uitgeverij Het Spectrum in de auteurscontracten de volgende bepaling opgenomen: 'De samensteller verplicht zich (...) een zodanige afstand van soortgelijke reeds bestaande werken te bewaren, dat overeenkomsten beperkt blijven tot het onvermijdelijke.' (Sanders, p. 41). Met het deeltje Spaans-Nederlands ging het mis. Dat vertoonde volgens de directie teveel gelijkenis met het grote woordenboek van Van Dam uit het fonds van Van Goor. Het werd alsnog aangepast, en Het Spectrum prees zich naderhand gelukkig dat zo een mogelijk 'plagiaatproces' (p. 43) was voorkomen.
Gebruikte bronnen werden in de Prisma-reeks niet genoemd, en ook in andere woordenboeken blijft dat vaak achterwege. Onder de loffelijke uitzonderingen noemen we speciaal het voorwoord van J. Kramers Jz. bij zijnNouveau Dictionnaire Français-Hollandais (1858) en dat van J.H. van Dale, bij zijn Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal (1872). Heel bijzonder is de dertien nummers tellende lijst van 'Ouvrages Consultés' in deDictionnaire Pratique Illustré van Borlé en Nolen (1908). Dit werk gold als de tweede druk van de Dictionnaire Complet (1888), waarin samenstellers Delinotte en Nolen slechts schatplichtigheid erkenden aan het 'meest verbreide woordenboek in Frankrijk, dat van P. Larousse'.
Dat er bij nieuwe dictionaires of nieuwe bewerkingen daavan vaak geen bronnen worden genoemd, heeft er vermoedelijk ook mee te maken dat woordenboeken vaak als publiek bezit worden beschouwd. Dat geldt helemaal voor mammoetwerken als de OED en het WNT, gigantische woordverzamelingen die een gezonde grondslag kunnen leveren voor lexicografische ondernemingen op kleinere schaal. Wie uit die werken put zal dan ook niet licht van plagiaat worden beschuldigd.
Wie bronnen noemt doet dat vaak als blijk van erkentelijkheid. Ook de wellevendheid vereist dat melding wordt gemaakt van publicaties waaruit overduidelijk is geput.
3.3 Grootscheepse toeëigeningen
In het midden van de vorige eeuw verschenen kort na elkaar bij uitgeverij Van Goor drie zakwoordenboeken. Samengesteld door de onbekende auteur A. Jaeger waren ze getiteld Nouveau Dictionnaire de Poche, Français-Hollandais et Hollandais-Français (1857), Neues Taschen-Wörterbuch, Deutsch-Holländisch und Holländisch-Deutsch (1858) en A New Pocket-Dictionary of the English and Dutch and Dutch and English Languages (1859).
Jaeger bleek later een schuilnaam van Jacob Kramers Jz. Zoals ik heb aangetoond in 'Van Tauchnitz naar Jaeger' (Trefwoord 10, 1995, p. 16-32) ging het hier om gestolen goed. Het waren slechts licht bewerkte versies van deeltjes uit het fonds van Tauchnitz, van onbekend auteurschap. Van Goor zweeg over de herkomst van zijn nieuwe zakwoordenboeken en ook de kritiek vestigde daar niet de aandacht op. Steeds opnieuw bewerkt, groeiden ze vervolgens uit tot de kwalitatief uitstekende Kramers' woordenboeken Frans, Duits en Engels. Achteraf moeten we constateren dat Van Goor zich met zijn dubieuze manoeuvre in één klap een veelbelovende uitgangspositie verschafte in de markt van de tweetalige schoolwoordenboeken en dat hij die positie bekwaam uitbouwde.
Ook in de tegenwoordige tijd nemen uitgeverijen wel bestanden van elders over om die later zelf verder te ontwikkelen. Hiervoor wordt dan een zakelijke overeenkomst afgesloten met de eigenaar van het copyright. Voorbeelden uit de Engelstalige sector kwamen aan het licht in de woordenwisseling tussen Urdang en Burchfield, waarover boven (zie 1.1) is gerapporteerd. Niet bekend is of Van Goor ook een dergelijke transactie had afgesloten met Tauchnitz. Omdat het copyright in de vorige eeuw nog weinig rechtsbescherming genoot, zal dat niet beslist nodig zijn geweest en daarom houden we het er maar op dat Van Goor destijds roofdrukken op de markt bracht.
Het zich toeëigenen van een heel woordenboek zal niet veel voorkomen, zeker tegenwoordig niet: wie zo'n streek uithaalt mag immers verwachten snel door de mand te vallen. Zeer opmerkelijk is daarom het volgende geval, dat mij werd gerapporteerd door Jan van Donselaar, wiens gegevens ik hier samenvat.
In 1985 verscheen bij Bosch & Keuning Sranantongo / Surinaamse taal. Een korte inleiding tot het Sranantongo met uitgebreide woordenlijst, van de hand van Max Sordam en Hein Eersel. De in de titel genoemde woordenlijst beslaat niet minder dan 312 van de in totaal 383 bladzijden. Hij omvat een lijst Nederlands-Surinaams, een lijst Surinaams-Nederlands, een lijst 'Dieren' en een lijst 'Planten en vruchten'. De laatste twee geven van de opgenomen dieren en planten de naam in het Sranantongo, de algemeen Nederlandse of Surinaams-Nederlandse naam, de wetenschappelijke naam van de betroffen soort en die van de familie waartoe deze behoort.
Deze op het eerste gezicht respectabele arbeid van de beide auteurs verliest echter aanzienlijk aan glans voor wie weet dat al deze lijsten van a tot z, en geheel zonder bronvermelding, waren overgeschreven uit de Woordenlijst Sranan-Nederlands-Engels, met een lijst van planten- en dierennamen, de vermeerderde tweede versie (1980) van een boek dat in 1961 was verschenen bij uitgeverij Vaco te Paramaribo.
Natuurlijk kon dit plagiaat niet verborgen blijven. Vaco zag echter af van een proces. De biologen Teunissen en Werkhoven, de auteurs van de lijsten met dieren en planten, legden zich niet bij de zaak neer. Met hen werd een schikking getroffen en ook komen hun lijsten niet meer voor in een volgende druk (1993) van het gewraakte boek van Sordam en Eersel. Daarin staat nog wel de overgenomen algemene woordenlijst, waarvan het copyright niet voldoende vast lag. (Zie over beide werken in meer algemene zin nog J. van Donselaar, 'De woordenschat van het Sranatongo', Trefwoord 11, p. 191-193.)
Een zeer flagrante schending van het copyright heeft zich kort geleden nog voorgedaan in Rusland, waar in 1997 een Groot woordenboek Russisch-Nederlands werd uitgebracht. Dit bleek een roofdruk van het in 1979 bij Coutinho verschenen Russisch woordenboek: Russisch-Nederlands van de hand van de Nederlandse slavist A.H. van den Baar. De titelpagina van de Russische uitgave vermeldde de namen van twee fictieve auteurs en een eveneens fictieve uitgever. (Zie voor nadere details De Woordenaar, 3/1, mei 1999, p. 1-2.)
3.4 Het plunderen van deelstudies
Werkjes die graag door makers en bewerkers van algemene woordenboeken worden benut zijn deelverzamelingen van vaktermen, neologismen en dergelijke. Soms wordt daar in voorwoorden melding van gemaakt, soms ook niet. Auteurs van zulke vaak uit eigen lectuur samengestelde werkjes hebben gelijk als ze aan de bel trekken wanneer ze merken dat uit hun publicaties is geput zonder dat daarvan melding wordt gemaakt. Ik noem hier twee voorbeelden.
In het eerste geval richtte A.W. Stellwagen een klacht tot M.J. Koenen. Koenen had namelijk in de vierde druk (1903) van zijn woordenboek - zo luidde de beschuldiging - 'een paar honderd Roomsche en een zeer groot aantal Protestantsche woorden' uit publicaties van Stellwagen opgenomen zonder te zeggen waar hij die vandaan had. Stellwagen stelde dat op rustige toon vast in zijn recensie in School en Leven (jg. 5, 1903-1904, kol. 186), en hield zich 'te gelegener tijd aanbevolen voor de welverdiende erkentelijkheid'. Koenen maakte zijn verzuim goed in het voorbericht voor de vijfde druk (1905), waarin hij ook nog andere vergetenen bedankte.
Beide heren bleven op goede voet met elkaar. De beladen term 'plagiaat' was trouwens niet gevallen.
Dat gebeurde wel in het tweede geval, waarin F.P.H. Prick van Wely het aan de stok kreeg met L. van der Wal. Prick had vrijwel vanaf het begin aantekeningen verzameld bij het deel Engels-Nederlands (1894) van Ten Bruggencates Engelsch Woordenboek. In 1904 publiceerde hij dat commentaar - uitgegroeid tot 250 pagina's - onder de titel Addenda en Corrigenda. De ruzie brak uit na de verschijning in 1907 van de vierde druk van het deel EN. Deze was bezorgd door L. van der Wal, die Ten Bruggencate een aantal jaren als bewerker verving. Prick vond dat de nieuwe druk sterk was verbeterd, maar merkte ook op dat bij de herziening zeer ruim gebruik was gemaakt van zijn Addenda en Corrigenda, zonder dat hiervan melding werd gemaakt. De zaak werd aangekaart zowel in Het Schoolblad als in het weekblad De Amsterdammer (alias 'De Groene'). Dat Pricks commentaar in de nieuwe druk was verwerkt is gemakkelijk vast te stellen. Van der Wal bleef dat echter glashard ontkennen. Door een incompetente aanpak bleef een duidelijke uitspraak van neutrale zijde uit. De onverkwikkelijke affaire had vermeden kunnen worden als in het voorwoord met een enkel zinnetje was meegedeeld dat van Pricks werk dankbaar gebruik was gemaakt. Het wetenschappelijk fatsoen vereiste dat ook. (Zie voor de details het tweede deel van mijn artikel over Prick van Wely, dat t.z.t. op deze website zal verschijnen.)
4. Verdere identiteitsproblemen
...
Verwijzingen
- Hausmann, F.J. (1987). 'Wörterbuchkriminalität. Lexicographie zwischen Markt und Wissenschaft'. In: Toegepaste Taalkunde in Artikelen. 27, p. 7-17.
- Hausmann, F.J. (1989). 'Dictionary Criminality'. In: Wörterbücher. Dictionaries. Dictionnaires, I, p. 97-101.
Jan Posthumus [bron: https--ivdnt.org/images/stories/onderzoek_en_onderwijs/publicaties/trefwoord/woordenboekcriminaliteit.html]
--- Over (foto 2): Prisma ---
De Aula-reeks is een populair-wetenschappelijke boekenreeks die in 1957 werd gestart door Uitgeverij Het Spectrum in Utrecht als wetenschappelijkere versie van de Prisma Pockets naar het voorbeeld van de Engelse Pelican Books. De reeks omvatte ruim 700 pockets over mens- en natuurwetenschappen, kunst en filosofie.
Het betreft de volgende uitgaven:
...
[bron: wikipedia]
...
...
...
...
...
...
...
...
...
...
...
...
Nieuwpoort+Deel Westende
vu 53x
sauvegardé 0x
Depuis 6 sept. '23
Numéro de l'annonce: m2019715661
Mots-clés populaires
livres a donnergrote lijsterlivres la pléiadelivres coiffurelivres a donnerLivres dans LivresLivres scolaires dans Livres scolairesou vendre ses livres dans BDlot livres enfants dans Livres pour enfants | 4 ans et pluslivres scolaires secondaire dans Livres scolaireslivres anciens dans BDlivres bruxelles dans BDlivres scolaires anciens dans Livres scolairessas livres dans Policiersweba dans Tables | Tables à mangerportes intérieures dans Châssis & Portes coulissantespoèle à pellets occasion dans Poêleshobby dans Caravanesthule backup dans Coffres de toitmoto yamaha tenere dans Pièces | Yamahalampe de noel dans Noëltracteur iseki dans Tondeuses autoportéesfrontrunner dans Porte-bagagesmachine a broder brother dans Broderie & Machines à broder